Weer en wind II

december 2019

De tentoonstelling Weer en wind in Singer Laren wordt verlevendigd met poëzie uit heden en verleden. Boven, naast of onder de kunstwerken staan beginregels van gedichten die uitdrukking geven aan weersgesteldheden.

Dat deed me denken aan een roman die ik laatst las, Kleine Inez van Reinier van Genderen Stort (1886-1941). Die had ik uit een stapel oude boeken gevist. Het is een merkwaardig naturalistisch verhaal dat al ouderwets moet hebben aangedaan in 1925, het jaar waarin het voor het eerst verscheen. Het gaat om een jongeman die zijn ware afkomst ontdekt en daaruit drastische consequenties trekt voor zijn toekomst. Ondanks de ouderswetsigheid werd het boek achtmaal herdrukt; ik las de zevende druk, een Salamanderpocket uit 1959. Het bijzondere aan het boek zijn de schitterende zintuiglijke beschrijvingen van de natuur en van verschillend weer. Zoals deze:

Eens volgde hij een beek, die nu eens helder en dartel als een bergstroom voorbij snelde, dan weer zich verwijdde en vertraagde tot een poel, waarin donkergroene waterplanten gelijk bossen scholen. Het was voorjaar en ternauwernood enige dagen stond het bos in zijn volle luister. […] De vogels sloegen en schalden, terwijl een vroege nachtegaal, aarzelend beginnend, telkens uitbrak in stortvloeden van melodijen, die hem verrukten en toeven deden.

Zo kunnen beeld en geluid in woorden worden omgezet. Een barokke stortvloed in dit geval. Doorgaans is de manier waarop we met Visual Thinking Strategies (VTS) woorden geven aan wat we zien iets bondiger. Lees meer over hoe ik groepen hierin begeleid onder Kunstgesprekken.